Bergwandelen over de Dolomieten-Höhenweg Numero 1

Het stond al een tijdje op de planning in mijn drukke bestaan: wandelen in de Dolomieten. Het is donderdagmiddag als de Ryanairvlucht zijn lading cultuursnuivers en feestbeesten aflevert op het vliegveld van Venetië. Daar sta ik dan, als vreemde eend in de bijt, gewapend met bergschoenen en dagrugzak tussen hoedjes. Buiten staat berggids Hannes me op te wachten. Nog twee uurtjes rijden en dan staan we aan de Pragser Wildsee, beginpunt van de Dolomieten-Höhenweg nummer één.”

Na een nacht tussen een ouderwets zwaar donzen dekbed ben ik al vroeg uit de veren. Vanaf het balkon van mijn hotelletje zie ik hoe de eerste zonnestralen over de bergkam heenkomen en de dorpskerk aanstralen. Dat belooft veel goeds voor de komende dagen op één van de mooiste Alta Via’s van Italië. Hannes is minder optimistisch, hij heeft het lokale weerbericht gezien: “Het is goed dat we zo vroeg zijn, want rond het middaguur gaat het onweren” Ik zie geen wolkje aan de lucht als we even later uitkijken over het turkooizen water van de Pragser Wildsee. Spiegelend in het fotogenieke meer vormt de Seekofel, met zijn 2.810 meter hoogte, het enige obstakel tussen ons en de lunch.

Onweer

Aan de overkant van het meer slaan we linksaf de puinhelling op. Langzaam zigzaggen we boven het dennenbos uit richting de Porta Sora al Forn, de pas net voor de Seekofelhut. Hannes wijst het Dreizinnenmassief aan dat net tussen de rotsen zichtbaar is.  De lucht is inmiddels verre van blauw, en een kwartiertje later slaat de bliksem met een harde klap in op de pas. We schuilen onder een rots terwijl een korte storm ons passeert. Zodra het enigszins droog is haasten we ons snel over de pas richting de veilige hut voor een opwekkende ‘knödelsuppe’. “Aus Holland!” roept de enthousiaste waardin terwijl het dondert tussen de bergen. “Jullie hebben geen bergen, maar wel altijd de beste bergspullen” lacht ze. “Hier! Bitte zwei Radler!”

Buiten breekt de hel weer los met de volgende onweersbui. We hebben nu 4 uur gelopen en, met nog maar een uur te gaan, laten we de storm uitrazen. Van de 1.000 hoogtemeters mogen we er meteen weer 400 verliezen op weg naar het eindpunt van onze dag: de Senneshut. We lopen zowaar weer in de zon over een prachtig groene alm. Wie had dat gedacht?

Een behoorlijke klim

De hele nacht heeft het gespookt rondom de hut. Om 7 uur hield het eindelijk op te regenen. Het gras op de hoogalm is doorweekt en de alpenroosjes staan er een beetje verzopen bij. We dalen tussen twee wolkenlagen af richting het dal. Tegen de tijd dat de Fodara Vedlahut in zicht komt, breken ook de eerste zonnestralen door het wolkendek. Bij de eerste hut zit een herder met zijn voeten omhoog door een verrekijker te turen. Met zijn koeien op het droge heeft hij een relaxte ochtend. Hij nodigt ons uit voor een kop koffie, maar Hannes heeft het weerbericht gezien en vertelt hem dat we door moeten naar de Faneshut. “Oh dan heb je nog een behoorlijke klim voor de boeg” antwoordt de herder. “Griass Enkg” roept hij met zwaar accent. “Pfiat I” groeten we terug.

Van onze reispartner SNP Natuurreizen

De Dolomieten zijn altijd de tragiek voor mijn knieën en de afdaling naar Rifugio Pederu is meteen een ‘wake-up call’. Over een steile onverharde weg dalen we af naar de gekte van de dagjesmensen die hier in grote getale door het spectaculaire landschap rond banjeren. Vanuit Pederu begint de klim van 520 hoogtemeters. Dit zijn de ‘echte’ Dolomieten. Langzaam voert de Alta Via door Valone de Rudo onder de Eisengabelspitze door naar de Fanesalm. Paradise found! Alpenrozen, meertjes, koeien en Hans en Grietje huisjes omgeven door loodrecht dolomiet. Het zonnetje schijnt barmhartig en in een lichte roes van een halve liter Weizenbier laat ik mijn spieren rusten in het groene gras. Wat wil een mens nog meer?

Brandende kuiten

Nog meer zon! En dat op de langste etappe met 1.100 meter stijgen en 400 meter dalen. Het is warm als we vroeg in de ochtend met een groep Amerikanen de hut verlaten. Eerst een stukje omhoog naar het Limojoch, gevolgd door een langzame daling door het Fanesdal. Net als ik denk “Dat gaat lekker”, slaan we af en klimmen richting de Forcella del Lago. Het laatste stukje gaat steil omhoog en mijn brandende kuiten kijken uit naar het moment dat we bij het meertje net onder de pas in het gras gaan liggen. De pas lijkt onbereikbaar. Eenmaal boven zie ik de Amerikanen verward op hun kaart kijken. Waar is dat meertje toch? Ik zie het ook niet, maar als ik een paar stappen afdaal, neem ik in de diepte een blauwgroen rondje waar. Het zal toch niet waar zijn? Nogmaals op de kaart turend, zie ik dat alle hoogtelijnen op elkaar gestapeld zijn. “Hey guys! Willen jullie eerst het goede of het slechte nieuws?” vraag ik de Amerikanen. “Good news: ik zie het meer! Bad news: het is 300 meter loodrecht naar beneden!” Één van de vrouwen kijkt naar haar man met een blik van: “I told you so! We hadden naar Venetië moeten gaan!”. De man zucht en begint aan de afdaling, het is nog net geen via ferrata. Als aanmoediging zien we ook de Lagazuoihut aan de horizon liggen, er ligt slechts een diep dal tussen de hut en ons.

Bergoorlog

Als we eenmaal de gestage klim naar de Lagazuoihut hebben aanvaard, zie ik pas waar we overheen gegaan zijn. Aan drie kanten worden we omgeven door loodrechte wanden. En in één van die wanden zit een smalle doorgang. Ongelofelijk dat we daar doorheen zijn gekomen. Links en rechts langs de route liggen de resten van de oude stellingen van de Oostenrijkse bergtroepen die hier ingegraven zaten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hier de grootste bergoorlog uitgevoerd. De Italianen probeerden tunnels te graven onder de Oostenrijkse stellingen om ze vervolgens vol te laden met explosieven en ze op te blazen. De Oostenrijkers op hun beurt probeerden de Italianen weer te ondermijnen. Dat gebeurde maar liefst vijf keer. De sporen van deze explosies vormen nu het landschap waarin we lopen. Eenmaal in de buurt van de hut kunnen we zelfs bij verschillende uitgegraven bunkers komen die tegenwoordig het openluchtmuseum van Lagazuoi vormen.

De zon zakt als een oranje bal achter de bergen in het westen. Daar moeten we morgen ergens zijn.  De huttenwaard zet twee biertjes voor ons neer en kijkt even mee. “Geniet ervan!” zegt hij doelend op het weer. “Morgen wordt het bar en boos, met overstromingsgevaar en onweer vanaf de ochtend.”

Bar en boos

Om 7 uur worden we gewekt door bliksem, donder en striemende regen op de ruiten. Wat gaat het worden vandaag? Als het echt zo erg wordt als de huttenwaard voorspelde, heeft het geen zin om verder te gaan. Hannes zoekt op de site van de Nuvolau hut naar het telefoonnummer en ontkomt daarbij niet aan de omschrijving: “Gesitueerd op de top van een berg in de mooie Dolomieten biedt de Nuvolau hut een niet te evenaren panorama over de Marmolada en Tofana bergen tot aan de Oostenrijkse gletsjers” leest hij lekkerbekkend. Hij staart naar buiten in de ‘erwtensoep’ en belt voor overleg met de hut. Na en wat heen en weer gepraat hoor ik de ijskoude woorden: “Wir steigen ab.”  Tijd om de bergschoenen aan de wilgen te hangen en het toeristenlegioen in Venetië te versterken.

Gerelateerd

Delen

Waardering
81765
Stem nu !
Bedankt!
Mislukt !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *