Wallis heeft alles

In het Zwitserse kanton Wallis wachten de Aletscharena en het Binntal. Op steenworpafstand van elkaar, maar twee verschillende werelden. Beide een paradijs voor wandelaars.

 Je zou zo geloven dat Christian Eyholzer zichzelf heeft gekloond of in zijn Hotel Bettmerhof in ieder geval stiekem een tweelingbroer heeft rondlopen. De boomlange patron heeft op de ontbijttafel nog amper het verrukkelijke kaasbuffet aangevuld (Saint Albray! Mutschli! Walgusto!) of hij tuft buiten alweer in zijn elektrische bagagekarretje voorbij om wat vertrekkende gasten naar het bergstation te brengen. Om een zucht later als vanouds de receptie te bestieren of als vliegende keep in de bediening op te duiken. Ook voor alle wandelvragen van zijn gasten is Christian de man. Wat heet: op zijn zonovergoten terras hangt hij over wandelkaarten gebogen zoals een voetbalcoach de ruit op het middenveld uitlegt. Zijn stift trekt geroutineerd pijlen op plattegronden. “Dit rondje voert in vier uur door het woud langs de hängebrücke. Of loop vanaf de Blausee de andere kant op, langs de mooiste uitzichten op de gletsjer.”

Troef

Bettmerhof is een comfortabel hotel in het autovrije Bettmeralp, een vakantieoord zo gemütlich dat zelfs de kippenhokken zijn voorzien van geraniums en gehaakte gordijntjes. ’s Winters biedt het bergdorpje – 1950 meter hoog – toegang tot een bescheiden skigebied. Maar ’s zomers geeft het pas echt zijn visitekaartje af als uitvalsbasis voor 317 kilometer aan gemarkeerde wandelpaden. Buiten vrijwel elke hotelkamer wachten ’s avonds dan ook de aangekoekte wandelschoenen op hun volgende avontuur. “Je eerste dag? Eerst rustig de krachten opbouwen”, adviseert een ervaren berggeit. “Gewoon afsnijden met een van de liften.”

Doordat de gondels ’s zomers doordraaien zijn, indien gewenst, inderdaad de nodige hoogtemeters te overbruggen. Eenmaal boven wacht het uitzicht op de troef van de regio: de Aletschgletscher. Zo’n 27 miljard ton ijs vormt hier de grootste gletsjer van heel de Alpen, uitgesmeerd over een lengte van 23 kilometer. Alsof dat nog niet genoeg is wordt de grijswitte sneeuwtong geflankeerd door een erehaag van beroemde bergtoppen als de Schinhorn, Jungfrau, Mönch en Eiger. Draai je om naar het zuiden en als klap op de vuurpijl steekt ook de Matterhorn zijn piekfijne punthoofd boven de buurtjes uit.

Niet verwonderlijk dus dat veel wandelaars te midden van dat wonderschone decor besluiten om spontaan een lunchpauze in te lassen. Her en der liggen ze tussen de rotsen verstopt als schuchtere alpenmarmotten. Zwijgend van ontzag. Een volmaakte stilte die enkel wordt doorbroken door het kabbelende smeltwater onder de gletsjer of de reusachtige bellen waarmee de plaatselijke milkakoeien zijn omhangen.

Van onze reispartner SNP Natuurreizen

Alpendennen

Voor een nog mooier uitzicht klim je ook de laatste hoogtemeters naar de top van de Bettmerhorn (2872). De passage houdt het midden tussen een natuurlijke wenteltrap en een aardig potje apenkooien. Niet voor wandelaars met hoogtevrees dus, getuige ook de tegenliggers die zich met knikkende knieën vastklampen aan het staaldraad; de ‘trapleuning’ bij enkele loopplanken. Nog niet uitgekeken na dit prachtpanorama? Wandel door richting de Eggishorn (2926 meter) voor misschien wel het meest fameuze ansichtkaartenshot, waarbij je om de bocht van de gletsjer kunt kijken.

Wie denkt dat de Aletscharena enkel draait om zijn geroemde gletsjer, heeft het echter mis. Op de wandelschoenen ontvouwt zich een gebied dat zo veelzijdig is als een Zwitsers zakmes. Je kunt het er zo gek maken als je zelf wilt: van gemoedelijk glooiend tot kuitenbijtend steil. Een waar wandelfeest is bijvoorbeeld de passage door het Aletschwald; een prachtig bergbos vol kronkelwortels, kerststukjesmos en kwetterende notenkrakers. Je loopt hier tussen de oudste alpendennen van Zwitserland en stuit net buiten het bos op de statige Villa Cassel: ooit de zomerresidentie van een Britse bankier, nu de uitvalsbasis van de plaatselijke natuurbeschermers Pro Natura. Of daal af over de met gras bezaaide bergflanken waarop schapen gulzig de korstmossen van de rotsen knabbelen. Warm? De Bettmersee, pal buiten het dorp, staat altijd garant voor een verfrissende plons en is zodoende het ideale eindpunt van menig wandeling.

Tijdmachine

Terwijl wandelaars bij de Bettmersee in hun ondergoed het water in rennen, duiken ze in Binn – aan de overzijde van de Rhône – met dagrugzak en al weg onder felgekleurde barbapapaponcho’s. De regenwolken kleuren de lucht vandaag donker als ecolinevlekken. “Ik dacht dat dit zonnige kant van de Alpen was”, grijnst de zoveelste wandelaar die doorweekt zijn toevlucht zoekt tot de warmte van restaurantpension Albrun. Gastvrouw Laetitia Inderschmitten zet lachend een paar borden op tafel. Ze kent de grillen van de weergoden boven het Binntal. Maar ze weet ook: achter het Zwitserse comfortfood van manlief Mario zijn zelfs de meest kletsnatte sokken snel vergeten.

Binn ligt hemelsbreed amper acht kilometer van Bettmeralp. Een handvol slingerbochten, veel meer is het niet. Maar het is niet alleen qua weer geregeld een wereld van verschil; de korte tunnel pal voor het dorp lijkt bijkans dienst te doen als tijdmachine. De doorgang werd pas in 1965 uitgehakt; tot die tijd was het dal ’s winters volledig afgesloten van de bewoonde wereld. En nog steeds weet de 21ste eeuw zich maar mondjesmaat naar binnen te wurmen. Binn. Ernen. Fäld. De piepkleine dorpjes ogen met hun houten doe-het-zelfhuisjes zo onvervalst, dat ze precies om die reden al met de nodige prijzen overladen werden. Het woord authentiek is hier echter geen platitude om toeristen te lokken. Naar souvernirshops is het lang zoeken; je vindt hoogstens een rek grofpixelige ansichtkaarten bij de plaatselijke buurtsuper. Net als het ‘schönsten kleine Dorfplatz der Schweiz’, zoals een guitige inwoner van Fäld het bescheiden lapje kinderkopjes naast zijn moestuin heeft gedoopt.

Puinheuvels

Als de ochtendmist de volgende dag zijn sluier optilt, blijkt ook de natuur in het Binndal weergaloos ongerept. Verwacht er  geen gondelliften, zoals aan de overkant van de rivier. Hoewel er ook vlakkere wandelingen mogelijk zijn, kruipen de meeste van de bewegwijzerde paden – 150 kilometer in totaal – al gauw 500 tot 1000 hoogtemeters uit het dal omhoog. Eenmaal op hoogte word je beloond met een landschap waar je aardrijkskundeboek tot leven komt. Gletsjerijs en smeltwater smeedden hier in de loop der geschiedenis een ware snoepwinkel aan puinheuvels, eindmorenes, bergkammen en een dozijn sereen stille sprookjesmeertjes als het Schapler-, Grengjer, Halse- en Mäsermeer. Wie niet vies is van een stevige tocht kan bovendien klimmen naar de kaalgeblazen top van de Eggerhorn (2503 meter) of via de Binntalhütte de Albrunnpass (2409 meter) op de Italiaanse grens bereiken.

Maar ook dichter bij het dal trekt Moeder Natuur haar schatkist open. Vrij letterlijk zelfs. Al sinds de 18e eeuw wordt de streek geroemd om de vele soorten mineralen; 273 om precies te zijn, waarvan zeker tien zeldzame soorten die nooit elders zijn gevonden. In dorpjes als Fäld pronken de professionele steenzoekers, Strahler genaamd, met etalages vol glinsterende vondsten als Rauchquarz, Strahlstein en Faserserpentin. Het bewijs dat aandachtige wandelaars in het Binntal zomaar rijkelijk beloond kunnen worden.

Gerelateerd

Delen

Waardering
82489
Stem nu !
Bedankt!
Mislukt !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *