Rondreizen en wandelen tussen de zee en de bergen – Tra Mare e Monti

Van Napoleon wordt vaak beweerd dat hij ‘zijn’ eiland al van op grote afstand kon ruiken. Wie ooit zelf de intensieve geurencocktail van het Corsicaanse maquis heeft opgesnoven, verbaast dat vermoedelijk niet eens. Een tocht tussen de Mare e Monti biedt daartoe een prima gelegenheid.

We ploffen onze rugzakken neer op de pas en werpen een laatste blik op de omgeving. Pastelkleurige huizen, een stoere klokkentoren, olijfboomgaarden, ingebed in een surrealistische omgeving. Aan de ene kant besneeuwde bergen, die ons doen rillen van de kou, aan de andere kant de turquoise zee van Corsica, waarin we zo een duik zouden willen nemen. Aan de horizon glijdt een gele veerboot. Een lome bries waait flarden van dorpsgeluiden uit de diepte omhoog. Klokkengelui, hondengeblaf, geknetter van een brommertje… Om ons heen explodeert de natuur. Grote cistusrozen wedijveren met tapijten van affodil en heidebrem. Een symfonie van roze, wit en geel. Het ruikt naar mirte en jeneverbes, lavendel en rozemarijn. Naar honing, peper en hars. April loopt op zijn einde: het maquis ontwaakt uit zijn winterslaap.

Mare e Monti

We lopen in het Parc Naturel Régional de Corse (PNRC), het Corsicaanse natuurpark dat een oppervlakte beslaat van 3.505 vierkante kilometer en een net van 1.500 kilometer wandelwegen kent. Daaronder diverse langeafstandswandelpaden, die het park in alle richtingen doorkruisen en één van de mooiste is de Mare e Monti. De naam van deze route, die zich over een afstand van 128 kilometer door het noordwesten van Corsica slingert, betekent ‘zee en bergen’. En dat mag je doorgaans letterlijk nemen: de Mare e Monti balanceert immers voortdurend tussen de hoge bergen van het binnenland en de wilde westkust, combineert bergwandelen met baden – aan zee of in een van de vele poelen van de rivieren, waar het pad langskomt.

Architectonische pareltjes

We lopen verder het binnenland in. Piepkleine bergdorpen schuiven voorbij. Een handvol huizen, verbonden door nauwe steegjes en trapjes. Een gîte d’étape en een kerkje. Een kerkhof met pompeuze witte graven. Sommige dorpen zijn al honderd jaar verlaten en vergeten. Overwoekerd door het maquis… ‘s Avonds schuiven we in ‘L’Alivu’, de gîte d’étape van Serriera, de benen onder tafel. Het eetzaaltje met ruwe stenen muren, zware houten banken en decente verlichting straalt warmte en gezelligheid uit. In het midden ervan is een oliemolen geïntegreerd. ‘Een van de laatste drie intacte exemplaren van het eiland’, verraadt herbergierster Régine Luccioni met zichtbare trots.

Van onze reispartner SNP Natuurreizen

Maar tussen de bergen en de kust wachten nog meer bouwkundige verrassingen. Op weg naar Ota ontdekken we tussen de kastanjebomen een gerestaureerde rataghju. In dergelijke schuurtjes werden vroeger kastanjes op een lattenrooster boven een houtvuur gedroogd. In de Gorges de Spelunca, de wilde kloof tussen Ota en Evisa, trekken Genuese boogbruggen de aandacht. De 15de-eeuwse Ponte Vechju, aan het begin van de kloof, is voor velen de mooiste van het eiland. Ook het met grote stenen geplaveide muilezelpad door de kloof is een pareltje. Dat hoeft niet te verbazen: ooit was dit een van de hoofdverkeerswegen van het eiland. Herders uit Porto trokken door de kloof met hun geiten naar de zomerweiden in de Niolu. Muilezels sjokten met kaas, kastanjemeel en vleeswaren uit Evisa of hout uit het Forêt d’Aitone naar de kust omlaag. Olijfolie, zout en vis maakten de reis in de omgekeerde richting. 

Broodboom

Evisa is nóg zo’n lekker ouderwets bergdorp, omringd door een zee van kastanjebomen. De tamme kastanje, geïntroduceerd door de Genuezen, gold ooit als de ‘broodboom’ van Corsica. Kastanjemeel was de grondstof voor bakwaren en pulenta (kastanjepuree). Kastanjes dienden als varkensvoer en de schillen van de gedroogde vruchten als brandstof. Van het hout werden meubels vervaardigd. Niets ging verloren.

Op weg naar Marignana duikt tussen het gebladerte alweer een spookdorp op. U Tassu, ooit een belangrijk verkeerscentrum, werd bij de aanleg van de D24 door de wegenbouwers gewoon ‘vergeten’. De laatste bewoner stierf in 1935. Slingerplanten hebben de muren intussen al lang in bezit genomen, uit de ramen groeien wilde vijgenbomen. De kerk is het enige gebouw dat intact lijkt. Navraag leert dat ze recent door vrijwilligers van de culturele vereniging ‘Associu Scopre’ is gerestaureerd. ‘Ieder jaar vindt op 29 juni zelfs weer een eredienst plaats’, vertelt Paul Ceccaldi, de voorzitter van ‘Associu Scopre’. Ook hier liet de ontvolking sporen achter. ‘Een eeuw geleden leefden hier 1.100 mensen’, legt hij uit, ‘vandaag amper 100.’ De kerk en het kerkhof lijken veel te groot. De meeste huizen, die tegen de steile bergflank kleven en door loopbruggen met de weg zijn verbonden, staan buiten de zomer leeg. De terrasvormig aangelegde tuinen zijn verwilderd. Zelfs de eeuwenoude kastanjebomen rond het dorp, ooit een bron van welvaart, zien er niet vrolijk uit. Velen lijden onder een schimmelinfectie, andere zijn al lang dood. Hun knokige takken herinneren aan skeletten.

 

De Calanche de Piano

Weer richting zee bereiken we Piana. Een mooi badplaatsje met een prachtig uitzicht op een bizar rotslandschap met woeste vormen en dieprode kleuren. Vanaf het hotelbalkon genieten we van de zonsondergang met een schitterend uitzicht op de omringende bergen, de rode rotsen van de Calanche de Piana en de honderden meters lager gelegen blauwe Golf van Porto. De mezzogiorno, de koele zeewind, voert de zilte geur van zout en tang aan. Later op de avond neemt de terranu het over en brengt vertrouwde geuren uit het binnenland. Struikheide en mirte, tijm en jeneverbes. Honigzoet en kruidig. Met een harsachtige noot van de mastiekboom.

// kader

Strijd tegen de ontvolking

‘Het maquis is het terrein van de Corsicaanse herder en van iedereen die met de wet in aanvaring is gekomen’, schreef Prosper Mérimée in 1829 in zijn roman Mateo Falcone. Dat waren natuurlijk andere tijden. De bandieten, die de schrijver bezong, zijn min of meer uitgestorven. En ook de brave herders zijn grotendeels van het toneel verdwenen. Aan hun grote betekenis in het verleden herinneren echter nog de vele sentiers de la transhumance, zorgvuldig aangelegde muilezelpaden waarover de herders eeuwenlang met hun kuddes naar de zomerweiden trokken. Dat ze nog bestaan, is de verdienste van het Parc Naturel Régional de Corse (PNRC), het Corsicaanse natuurpark. Het park beslaat een oppervlakte van 3.505 vierkante kilometer, hetzij 40 procent van het eiland. Binnen zijn grenzen liggen vele bergdorpen. Bij de oprichting van het park in 1972 liepen de bergdorpen leeg, schaapskooien vervielen en herderspaden verwilderden. De totale désertification (ontvolking) van het binnenland dreigde. De economische heropleving van de bergdorpen is dan ook, naast natuurbescherming, een van de hoofddoelstellingen van het natuurpark. Om deze te realiseren werd veel geïnvesteerd in de herwaardering van traditionele ambachten en producten en de restauratie van het architectonische erfgoed. Om de bergdorpen nieuw leven in te blazen, werd ook het wandeltoerisme verder ontwikkeld, met als gevolg een netwerk van ruim 1500 kilometer aan wandelpaden.

\\ kader

Gerelateerd

Delen

Waardering
81754
Stem nu !
Bedankt!
Mislukt !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *